navegar

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • na·ve·gar
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
navegar
navegaba
navegado
volledig

Werkwoord

navegar

  1. (onovergankelijk) varen, per schip reizen
  2. (overgankelijk) bevaren
Verwijzingen