Naar inhoud springen

surf

Uit WikiWoordenboek
  • surf

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
naamwoord surf
verkleinwoord

desurfm

  1. (muziek) muzikaal genre dat omstreeks 1961 is opgekomen in Zuid-Californië
vervoeging van
surfen

surf

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van surfen
    • Ik surf. 
  2. gebiedende wijs van surfen
    • Surf! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van surfen
    • Surf je? 
99 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[1]
  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be


enkelvoud meervoud
surf surfs

surf

  1. (aardrijkskunde)  branding zn 
  2. (sport) het surfen
  3. (muziek)  surf zn 
vervoeging
onbepaalde wijs to  surf 
he/she/it  surfs 
verleden tijd  surfed 
voltooid
deelwoord
 surfed 
onvoltooid
deelwoord
 surfing 
gebiedende wijs  surf 

surf

  1. onovergankelijk, (sport)  surfen ww  [1]
  2. onovergankelijk, overgankelijk (informatica)  surfen ww  [2]