surf

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • surf

Werkwoord

vervoeging van
surfen

surf

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van surfen
    • Ik surf. 
  2. gebiedende wijs van surfen
    • Surf! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van surfen
    • Surf je? 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be