stromen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stro·men
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
stromen
stroomde
gestroomd
zwak -d volledig

Werkwoord

stromen

  1. ergatief voortbewegen van vloeistoffen
    • Er is veel water van de heuvel gestroomd. 
     Doordat de wind recht mijn kant opblies en het geluid van de donder steeds dichterbij kwam bleven mijn tranen stromen.[1]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

stromen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord stroom

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be