stream

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stream

Werkwoord

vervoeging van
streamen

stream

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van streamen
    Ik stream.
  2. gebiedende wijs van streamen
    Stream!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van streamen
    Stream je?


Engels

Uitspraak
vervoeging
onbepaalde wijs to stream
he/she/it streams
verleden tijd streamed
voltooid
deelwoord
streamed
onvoltooid
deelwoord
streaming
gebiedende wijs stream

Werkwoord

stream

  1. (onovergankelijk) stromen, vloeien
    «Sunlight streamed through the windows.»
    Het zonlicht stroomde door de ramen.
  2. (onovergankelijk) vol zijn (met)
    «My eyes were streaming with tears.»
    Mijn ogen waren vol tranen.
Afgeleide begrippen
Naar frequentie 2516 (naamwoord)


enkelvoud meervoud
stream streams

Zelfstandig naamwoord

stream

  1. stroom
Synoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • on stream
aan het net