stond

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stond
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘tijd(stip)’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord stond stonden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

stond m [3]

  1. (formeel) tijdstip
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
staan

stond

  1. enkelvoud verleden tijd van staan
    • Ik stond. 
    • Jij stond. 
    • Hij, zij, het stond. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen