Naar inhoud springen

stond

Uit WikiWoordenboek
  • stond
enkelvoud meervoud
naamwoord stond stonden
verkleinwoord - -

destondv/m

  1. (formeel) punt in het tijdsverloop waarop iets gebeurt
vervoeging van
staan

stond

  1. enkelvoud verleden tijd van staan
    • Ik stond. 
    • Jij stond. 
    • Hij, zij, het stond. 
     Na een lange beklimming stond ik uitgeput boven op Mount Whitney.[4]
     De Franse president Macron prijst de paus ook voor zijn inzet voor armen en kwetsbaren. Hij noemt hem een bescheiden man die "altijd aan de zijde van de meest kwetsbaren stond". De Notre-Dame in Parijs luidt de klokken 88 keer als eerbetoon aan de paus, die 88 jaar is geworden.[5]
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[6]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. stond op website: Etymologiebank.nl
  3. "stond" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  4. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  5. Bronlink geraadpleegd op 21 april 2025 Weblink bron “Bedroefde reacties op dood van paus: 'Miljoenen mensen geïnspireerd'” (21 april 2025), NOS
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be