stonden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ston·den

Werkwoord

vervoeging van
staan

stonden

  1. meervoud verleden tijd van staan
    • Wij stonden. 
    • Jullie stonden. 
    • Zij stonden. 

Zelfstandig naamwoord

stonden mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord stonde
  2. meervoud van het zelfstandig naamwoord stond