kortstondig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kort·ston·dig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen kortstondig kortstondiger kortstondigst
verbogen kortstondige kortstondigere kortstondigste
partitief kortstondigs kortstondigers -

Bijvoeglijk naamwoord

kortstondig

  1. dat iets maar kort duurt
    • Pokémon was weer een van die kortstondige hypes. 
    • We hadden maar een kortstondig oponthoud bij de Merwedebrug. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be