kortstondig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kort·ston·dig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen kortstondig kortstondiger kortstondigst
verbogen kortstondige kortstondigere kortstondigste
partitief kortstondigs kortstondigers -

Bijvoeglijk naamwoord

kortstondig

  1. dat iets maar kort duurt
    • Pokemon was weer een van die kortstondige hypes. 
    • We hadden maar een kortstondig oponthoud bij de Merwedebrug. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.