steun

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • steun
enkelvoud meervoud
naamwoord steun steunen
verkleinwoord steuntje steuntjes

Zelfstandig naamwoord

steun m

  1. iets om op te steunen, te rusten
    • Een stabiele steun hielp hem gauw weer op de been. 
     Vanwege het gebrek aan steun echter moesten mijn enkels erg wennen aan het oneffen terrein.[1]
  2. morele of materiële hulp
    • Dankzij de steun van een studiebeurs ging ze naar de universiteit. 
     Het viel hem op dat er veel politie was maar dat ze niet waren uitgerust met witte oproerhelmen en schilden. Dat was een stap vooruit, een kleine overwinning in de strijd tegen het vs-imperialisme. Je won de steun van het volk niet door met de politie te vechten.[2]
  3. (informeel) sociale uitkering
    • Werklozen krijgen vaak steun van de overheid. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • steun krijgen
  • verkapte steun
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
steunen

steun

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van steunen
    • Ik steun. 
  2. gebiedende wijs van steunen
    • Steun! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van steunen
    • Steun je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “1968, De grote eeuw deel 7” (2017), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044633535
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be