steun

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • steun
enkelvoud meervoud
naamwoord steun steunen
verkleinwoord steuntje steuntjes

Zelfstandig naamwoord

steun m

  1. iets om op te steunen, te rusten
    • Een stabiele steun hielp hem gauw weer op de been. 
  2. morele of materiële hulp
    • Dankzij de steun van een studiebeurs ging ze naar de universiteit. 
  3. (informeel) sociale uitkering
    • Werklozen krijgen vaak steun van de overheid. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • steun krijgen
  • verkapte steun
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
steunen

steun

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van steunen
    • Ik steun. 
  2. gebiedende wijs van steunen
    • Steun! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van steunen
    • Steun je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.