skorða

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Oudnoords

Woordafbreking
  • skor·ða
stamtijd
onbepaalde
wijs
tegenwoordige
tijd
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
skorða
skorðar
skorðaði
skorðat
Klasse 1 zwak volledig

Werkwoord

skorða

  1. stutten
Verwante begrippen

Zelfstandig naamwoord

[A] skorða v

  1. steun
  2. stang
  3. een gespleten blok hout
Verbuiging
[A] + [B] enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   skorða         skorður        
genitief   skorðu         skorðna        
datief   skorðu         skorðum        
accusatief   skorðu         skorður        

Zelfstandig naamwoord

[A] skorða v

  1. wijf