ruggensteun

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rug·gen·steun
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ruggensteun ruggensteunen
verkleinwoord ruggensteuntje ruggensteuntjes

Zelfstandig naamwoord

ruggensteun m [1]

  1. steun voor de rug
  2. (figuurlijk) goede hulp
Synoniemen

Werkwoord

vervoeging van
ruggensteunen

ruggensteun

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruggensteunen
    • Ik ruggensteun. 
  2. gebiedende wijs van ruggensteunen
    • Ruggensteun! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruggensteunen
    • Ruggensteun je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen