hoofdsteun

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

stoel in trein met hoofdsteun
Uitspraak
Woordafbreking
  • hoofd·steun
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hoofdsteun hoofdsteunen
verkleinwoord hoofdsteuntje hoofdsteuntjes

Zelfstandig naamwoord

hoofdsteun m [1]

  1. een steun voor het hoofd
    • De hoofdsteun in een auto dient vooral ter bescherming van de nek de reiziger. 
    • „Goeiemorgen mensennn, ik ben Peter jullie buschauffeur”, galmt het door de boxen van de touringcar. Binnen is het warm en ruikt het nieuw. De hoofdsteunen hebben leren omhulsels en er is veel beenruimte.[2] 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Martin Kuiper 4 december 2015