ontspruiten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·sprui·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ontspruiten
ontsproot
ontsproten
klasse 2 volledig

Werkwoord

ontspruiten

  1. ergatief een nieuwe loot vormen aan een plant of uit een zaad.
    • Een bruine boon ontspruit als je deze een tijdje op een vochtig sponsje in het donker legt. 
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.