Naar inhoud springen

spek

Uit WikiWoordenboek
  • spek
enkelvoud meervoud
naamwoord spek [2,3] spekken
verkleinwoord spekje
[2] spekkie
spekjes
[2] spekkies

hetspeko

  1. geen meervoud (biologie), (voeding) laag vet tussen huid en vlees bij grote zoogdieren
    • Hij at 's morgens graag eieren met gebakken spek. 
  2. (snoepgoed) bepaald soort sponzige zoetwaar
  3. (snoepgoed) (Belgisch-Nederlands) benaming voor zoet snoep, suikergoed
  • [2], [3] In de betekenis "snoep" is het verkleinwoord "spekje" (soms ook: "spekkie") de gangbare vorm.
  • [1] met spek schieten
    overdrijven of opscheppen
  • [1] voor spek en bonen meedoen
    zonder winst of kost laten meedoen ofwel: meedoen maar door de andere deelnemers niet serieus worden genomen
  • [1] er voor spek en bonen bijzitten
    niet meetellen
  • [1] de kat bij het spek zetten
  • [1] de kat op het spek binden
vervoeging van
spekken

spek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spekken
    • Ik spek. 
  2. gebiedende wijs van spekken
    • Spek! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spekken
    • Spek je? 
98 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]