hamspek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ham·spek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hamspek hamspekken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

hamspek o [1]

  1. (voeding) spek dat zoveel vlees bevat, dat het op ham lijkt
    • ‘Moar toch! Nou, da ge bedankt zijt, dat witte woar?’ Even schoot het haar te binnen, hoe vaak zij zelve met ‘varsche eikes, stukskes hamspek, eigen gebakken mik’ naar geburen was gegaan, waar 't zoo hôgnôdig waar. En ... nou wierd het hààr gegeven. [2] 

Gangbaarheid

72 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Tubantia (1934)– [tijdschrift] Gemeenschap, De Marie Gijsen Aan lager wal