besnoeien

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·snoei·en
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
besnoeien
besnoeide
besnoeid
zwak -d volledig

Werkwoord

besnoeien

  1. overgankelijk in aantal doen verminderen, beperken
    • Er moest flink in de uitgaven besnoeid worden. 
  2. overgankelijk bomen en heggen snoeien
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

84 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be