besnoeien

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·snoei·en
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
besnoeien
besnoeide
besnoeid
zwak -d volledig

Werkwoord

besnoeien

  1. overgankelijk in aantal doen verminderen, beperken
    • Er moest flink in de uitgaven besnoeid worden. 
  2. overgankelijk bomen en heggen snoeien
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders
91 % van de Vlamingen.