morsig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mor·sig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen morsig morsiger morsigst
verbogen morsige morsigere morsigste
partitief morsigs morsigers -

Bijvoeglijk naamwoord

morsig

  1. onzindelijk, slonzig
    • Wees toch niet zo'n morsige jongen en ruim je rotzooi op! 
Vertalingen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
68 % van de Vlamingen.