eensklaps

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • eens·klaps
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

eensklaps

  1. plotseling, in een keer zonder geleidelijke overgang
    • Ze werd eensklaps verdrietig en begon te huilen. 

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.