slapheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • slap·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord slapheid slapheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

slapheid v [1]

  1. het niet sterk zijn; het al te toegeeflijk zijn
    • Ondertussen houden christenpolitici hun ogen natuurlijk goed open. Een overheid die geloof bestempelt als privézaak en vervolgens een eind maakt aan alle privacy, kunnen we niet zomaar op haar blauwe ogen vertrouwen. Christenen zullen in geen geval gevrijwaard blijven van druk of beproeving. Maar het maakt wel uit of dit plaatsvindt vanwége onze onoplettendheid en slapheid of ondánks onze gelovige inspanningen. [2] 
    • Dat klopt. We kunnen efficiënt en doeltreffend optreden tegen terrorisme zonder ons te verlagen tot barbarij. Door de slapheid niet langer toe te staan maar politie- en inlichtingendiensten te voorzien van de nodige financiële en technologische middelen en mankracht. Fatsoenlijke en veilige gevangenissen om de criminelen in op te vangen. Meer controle op de geldstromen waarmee het terrorisme wordt gefinancierd. Onderwijs dat mensen opvoedt tot verantwoordelijke en solidaire burgers. [3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Reformatorisch Dagblad Mr. D. J. H. van Dijk 29-11-2017 Column: Geloof is privé, maar privacy wordt ingeperkt
  3. De Standaard 02 AUGUSTUS 2016 Assita Kanko, Gemeenteraadslid in Elsene (MR) en lid van de denktank Liberales. De slapheid die Europa ondermijnt