shark

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
A shark.


Engels

Uitspraak
  • IPA: /ʃɑrk/
vervoeging
onbepaalde wijs to shark
he/she/it sharks
verleden tijd sharked
voltooid
deelwoord
sharked
onvoltooid
deelwoord
sharking
gebiedende wijs shark

Werkwoord

shark

  1. (onovergankelijk) sharks jagen
  2. (onovergankelijk) bedriegen, oplichten
  3. (onovergankelijk) bedotten, beetnemen
  4. (overgankelijk), (verouderd) door bedrieglijke middelen verkrijgen


enkelvoud meervoud
shark sharks

Zelfstandig naamwoord

shark

  1. (vissen) haai
  2. (spreektaal), (informeel) bedrieger, fraudeur, gannef, leperd, misleider, oplichter
  3. (spreektaal), (informeel) woekeraar
  4. (in het gokspel) een persoon die veinst onbekwaamheid om geld te winnen van anderen
  5. (US) genie
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

[1] US (spreektaal) to jump the shark

  • Het hoogtepunt overschrijden.