oplichter

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·lich·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord oplichter oplichters
verkleinwoord oplichtertje oplichtertjes

Zelfstandig naamwoord

oplichter m

  1. een mannelijk persoon die oplicht
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. www.nrc.nl (24 nov 2023)
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be