bedotten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·dot·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bedotten
bedotte
bedot
zwak -t volledig

Werkwoord

bedotten

  1. (overgankelijk) iemand bedrieglijk in een waan brengen, gewoonlijk spelenderwijs
    Ze hadden hem ermee bedot en nu stond hij een beetje voor aap.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bedotten

bedotten

  1. meervoud verleden tijd van bedotten
    Wij bedotten.
    Jullie bedotten.
    Zij bedotten.