bedotten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·dot·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bedotten
bedotte
bedot
zwak -t volledig

Werkwoord

bedotten

  1. overgankelijk iemand bedrieglijk in een waan brengen, gewoonlijk spelenderwijs
    • Ze hadden hem ermee bedot en nu stond hij een beetje voor aap. 
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bedotten

bedotten

  1. meervoud verleden tijd van bedotten
    • Wij bedotten. 
    • Jullie bedotten. 
    • Zij bedotten. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl