haai

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • haai
enkelvoud meervoud
naamwoord haai haaien
verkleinwoord haaitje haaitjes

Zelfstandig naamwoord

haai m

  1. (vissen) kraakbenige roofvis [1]
  2. (scheldwoord) hebzuchtig, inhalig persoon (met een grote bek)
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • naar de haaien
  • kapot
  • voor de haaien
  • verloren
  • er zijn haaien voor de kust
  • er dreigt gevaar
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
haaien

haai

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van haaien
    Ik haai.
  2. gebiedende wijs van haaien
    Haai!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van haaien
    Haai je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl