schwetze

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Pennsylvania-Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • schwet·ze
vervoeging
tegenwoordige tijd, aantonende wijs, bedrijvende vorm
onbepaalde
wijs
schwetze
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
(hot) gschwetzt
enkelvoud meervoud
1e persoon ich schwetz mir schwetze
2e persoon du schwetscht [1] dihr / der
dihr / der
ihr / er
ihr / er
nihr / ner
schwetzt
schwetze
schwetzt
schwetze
schwetze
3e persoon er schwetzt sie schwetze
sie schwetzt
es schwetzt

Werkwoord

schwetze

  1. overgankelijk spreken, zwetsen
Opmerkingen

Werkwoord

schwetze

  1. eerste persoon meervoud tegenwoordige tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van schwetze
    «mir schwetze»
    wij / we spreken / zwetsen

schwetze

  1. tweede persoon meervoud tegenwoordige tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van schwetze
    «dihr / der / ihr / er / nihr / ner schwetze»
    jullie spreken / zwetsen
Schrijfwijzen

schwetze

  1. derde persoon meervoud tegenwoordige tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van schwetze
    «sie schwetze»
    zij / zij / ze spreken / zwetsen

Verwijzingen

  1. Als de woordstam op een sisklank eindigt vervalt de sibilant [z].