zwetsen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwet·sen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zwetsen
zwetste
gezwetst
zwak -t volledig

Werkwoord

zwetsen

  1. (inergatief) zwammen, kletsen
    De Gooise vrouwen zwetsen tegen elkaar.
  2. (inergatief) luidruchtig opscheppen; pochen
    De patser zwetste met zijn nieuwe gekochte auto.