schuren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schu·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het me Latijn, in de betekenis van ‘drukkend wrijven’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
schuren
schuurde
geschuurd
zwak -d volledig

Werkwoord

schuren

  1. overgankelijk een oppervlak glad maken door wrijving met een ruw oppervlak van grotere hardheid
    • Voor je de tweede laag erop brengt moet je het eerst schuren. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

schuren mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord schuur

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen