kraam

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kraam
enkelvoud meervoud
naamwoord kraam kramen
verkleinwoord kraampje kraampjes

Zelfstandig naamwoord

kraam v/m/o [1]

  1. verplaatsbare tent waarin (op markten) koopwaar of (op kermissen) vermaak wordt aangeboden
  2. kraambed
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
kramen

kraam

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kramen
    • Ik kraam. 
  2. gebiedende wijs van kramen
    • Kraam! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kramen
    • Kraam je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen