schors

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schors
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schors schorsen
verkleinwoord schorsje schorsjes

Zelfstandig naamwoord

schors v

  1. buitenste laag van planten en bomen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
schorsen

schors

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schorsen
    Ik schors.
  2. gebiedende wijs van schorsen
    Schors!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schorsen
    Schors je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl