schors

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schors
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bekleding van gewas’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord schors schorsen
verkleinwoord schorsje schorsjes

Zelfstandig naamwoord

schors v

  1. buitenste laag van planten en bomen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Bijvoeglijk naamwoord

schors

  1. partitief van de stellende trap van schor

Werkwoord

vervoeging van
schorsen

schors

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schorsen
    • Ik schors. 
  2. gebiedende wijs van schorsen
    • Schors! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schorsen
    • Schors je? 

Verwijzingen