schors

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schors
enkelvoud meervoud
naamwoord schors schorsen
verkleinwoord schorsje schorsjes

Zelfstandig naamwoord

schors v

  1. buitenste laag van planten en bomen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
schorsen

schors

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schorsen
    Ik schors.
  2. gebiedende wijs van schorsen
    Schors!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schorsen
    Schors je?