reinigen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rei·ni·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘schoonmaken’ voor het eerst aangetroffen in 1437 [1]
  • Afgeleid van rein met het achtervoegsel -ig
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
reinigen
reinigde
gereinigd
zwak -d volledig

Werkwoord

reinigen

  1. zichtbare en onzichtbare vervuiling van een oppervlak verwijderen
    • Vlakstralers met een spleetvormige opening zijn geschikt voor het reinigen van oppervlakken op korte afstand.[2] 
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen