schoonmaakster

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schoon·maak·ster
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schoonmaakster schoonmaaksters
verkleinwoord schoonmaakstertje schoonmaakstertjes

Zelfstandig naamwoord

schoonmaakster v [1]

  1. (beroep) vrouwelijke vorm van schoonmaker, vrouw die schoonmaakt

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen