schamen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • scha·men
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘generen’ voor het eerst aangetroffen in 901 [1] [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
schamen
schaamde
geschaamd
zwak -d volledig

Werkwoord

schamen

  1. wederkerendschaamte voelen, iets van jezelf niet goed vinden zodat je het niet aan anderen wilt tonen
    • Hij schaamde zich voor zijn vergeetachtigheid. 
    • Hij gaf de Woordbouwer eerst een hand maar daarna zette hij het kistje snel weer op tafel en vloog hem om de hals. Hij schaamde zich er niet voor. [3] 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Chronologisch Woordenboek, Nicoline van der Sijs
  2. etymologiebank.nl
  3. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 18