Naar inhoud springen

schaamte

Uit WikiWoordenboek
  • schaam·te
enkelvoud meervoud
naamwoord schaamte -
verkleinwoord - -

deschaamtev

  1. een gevoel dat iemand de neiging geeft zich te verbergen voor anderen
    • Het jammerlijk mislukken van zijn beloofde verbeteringen vervulde hem met schaamte. 
    • Het spel was, zoals zo vaak dit seizoen, niet om aan te zien. Maar wat maakte het uiteindelijk uit. De schaamte van een jaar geleden is uitgewist. Het publiek, dat bijkans gek werd van de spanning, juichte twee keer uitbundig. En dat was bij de 1-0 en 2-0 van Jong PSV. [3] 
     'Toen ik je ontmoette, hield je je helemaal niet bezig met de Bijbel, God, schuldgevoelens, zonde en schaamte.[4]
     we leven niet meer met angst of schaamte, omdat je vader en je tante die brutale kwaadsprekers hebben verdreven.[5]
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[6]