schaamte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schaam·te
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schaamte -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

schaamte v

  1. een gevoel dat iemand de neiging geeft zich te verbergen voor anderen
    • Het jammerlijk mislukken van zijn beloofde verbeteringen vervulde hem met schaamte. 
    • Het spel was, zoals zo vaak dit seizoen, niet om aan te zien. Maar wat maakte het uiteindelijk uit. De schaamte van een jaar geleden is uitgewist. Het publiek, dat bijkans gek werd van de spanning, juichte twee keer uitbundig. En dat was bij de 1-0 en 2-0 van Jong PSV. [3] 
Synoniemen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen