beschamen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·scha·men
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beschamen


beschaamde


beschaamd


zwak -d volledig

Werkwoord

beschamen

  1. (overgankelijk) verlegen maken
    Zijn schandalige gedrag beschaamde zijn ouders.
  2. teleurstellen
    Hij beschaamde het vertrouwen dat zijn vrienden in hem gesteld hadden door het geleende geld niet terug te betalen.
Vertalingen