ruiter

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rui·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ruiter ruiters
verkleinwoord ruitertje ruitertjes

Zelfstandig naamwoord

ruiter m

  1. de berijder van een rijdier, meestal een paard
    De ruiter ging er in galop vandoor.
  2. iets dat ergens op zit en er boven uit steekt
    Je stelt de tabulator op deze schrijfmachine in door een ruitertje te plaatsen.
    De ruitertjes op de hangmappen geven overzicht.
  3. een verticale plank op een nokgording ter ondersteuning van de nokvorsten
    De ruiter werd door de timmerman op de nokgording aangebracht.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Gangbaarheid
100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl