gefluister

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·fluis·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gefluister
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gefluister o

  1. het fluisteren, het zachte heimelijke spreken
    • Het stiekeme gefluister van de twee geliefden trok de aandacht van de bezorgde ouders. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be