uitroep

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·roep
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord uitroep uitroepen
verkleinwoord uitroepje uitroepjes

Zelfstandig naamwoord

uitroep m

  1. wat men uitroept, luid geuite woorden of klanken
    • Op het heuglijke nieuws liet ze een uitroep van vreugde. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
uitroepen

uitroep

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitroepen
    • ... dat ik uitroep. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.