ril

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ril
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ril rillen
verkleinwoord rilletje rilletjes

Zelfstandig naamwoord

ril v / m [3] [4]

  1. groeve, geul
  2. natuurlijke waterloop
  3. rug tussen voren
Afgeleide begrippen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen ril riller rilst
verbogen rille rillere rilste
partitief rils rillers -

Bijvoeglijk naamwoord

ril [5]

  1. schuw


Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
rillen

ril

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rillen
    • Ik ril. 
  2. gebiedende wijs van rillen
    • Ril! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rillen
    • Ril je? 

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.[6]

Verwijzingen