getier

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·tier
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord getier
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

getier o [1]

  1. (pejoratief) veel lawaai maken omdat iemand boos is
    • In 2020 zal de bevolking van Rotterdam niet langer in meerderheid een Nederlandse herkomst hebben. In Zuidwijk is dat punt al gepasseerd. En de bevolking weet het. De witte mensen die we spreken, zeggen dat ze zich „een minderheid” voelen, dat ze „worden overwoekerd”. De niet-witte mensen zeggen dat ze zich aan Wilders’ getier niks gelegen laten liggen: „Wij zijn toch in de meerderheid.” [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Bas BlokkerJutta Chorus 25 november 2016