range

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • range
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord range ranges
verkleinwoord rangeje rangejes

Zelfstandig naamwoord

range m

  1. hoe ver iets kan komen
    • Het resultaat van dit project is een pilot waarbij de partners de eerste elektrisch aangedreven vuilniswagen demonstreren die middels een waterstof range extender een range van minimaal 250 km bereikt. [1]
  2. variatie in grootte tussen een onder- en een bovengrens
    • Gemiddeld hebben de docenten 15 jaar ervaring als NT2-docent, variërend van 1 tot 30 jaar en 10 jaar als alfabetiserings-docent, met eveneens een range van 30 jaar. [2]
  3. (statistiek) verschil in waarde tussen de hoogste en laagste meting
    • Er is, behalve beschrijvende statistiek (frequenties, typen gemiddelden, standaardafwijking, de range en vergelijkbare maten van een verdeling), verkennende en toetsende statistiek. [3]
  4. variatie binnen begrenzingen
    • Voor een verdere aftasting zou mijn hypothese zijn dat Shakespeares figuren - die onderling een enorme range van mensentypen laten zien - het best begrepen kunnen worden vanuit het klassiek theologische figuraal-denken (…). [4]
Synoniemen

Gangbaarheid

83 % van de Nederlanders;
68 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
range ranges
vervoeging
onbepaalde wijs to  range 
he/she/it  ranges 
verleden tijd  ranged 
voltooid
deelwoord
 ranged 
onvoltooid
deelwoord
 ranging 
gebiedende wijs  range 

Zelfstandig naamwoord

range

  1. reeks, rij
  2. collectie, verzameling
  3. bereik, reikwijdte
  4. gebied
  5. termijn

Werkwoord

range

  1. onovergankelijk zich uitstrekken
  2. onovergankelijk uiteenlopen [2], onderling verschillen
  3. overgankelijk ordenen, rangschikken
  4. overgankelijk doorkruisen
  5. overgankelijk, (dierkunde) weiden, laten grazen


Frans

Werkwoord

vervoeging van
ranger

range

  1. eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van ranger
  2. eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van ranger
  3. tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van ranger