termijn

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ter·mijn
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘tijdruimte’ voor het eerst aangetroffen in 1226 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord termijn termijnen
verkleinwoord termijntje termijntjes

Zelfstandig naamwoord

termijn m

  1. een vast tijdstip waarop iets gaat gebeuren of iets gebeurd moet zijn
    • Daar is een termijn voor gesteld. 
  2. een begrensde tijdruimte waarin iets moet gebeuren
    • Je hebt een termijn van 11 uur. 
  3. een gedeelte van de schuld dat binnen een vaste periode betaald moet worden
    • Wij doen helaas niet aan afbetaling in termijnen. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • op korte termijn
  • op termijn
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen