pipi

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pi·pi
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
naamwoord pipi pipi's
verkleinwoord

pipi

  1. (kindertaal) urine, plasje
    • Het jongetje zei: "Ik moet pipi doen!" 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

Verwijzingen


Frans

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

pipi m

  1. (spreektaal) plas, plasje, pis [1]

Verwijzingen


Indonesisch

Woordafbreking
  • pi·pi

Zelfstandig naamwoord

pipi

  1. (anatomie) wang


Siraya

Zelfstandig naamwoord

pipi

  1. fragment, kruimel

Verwijzingen