kruimel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • krui·mel
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘broodkorreltje’ voor het eerst aangetroffen in 1526 [1]
  • afgeleid van kruim met het achtervoegsel -el [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord kruimel kruimels
verkleinwoord kruimeltje kruimeltjes

Zelfstandig naamwoord

kruimel m

  1. klein afgebroken stukje van brood
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
kruimelen

kruimel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kruimelen
    • Ik kruimel. 
  2. gebiedende wijs van kruimelen
    • Kruimel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kruimelen
    • Kruimel je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen