insect

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·sect
enkelvoud meervoud
naamwoord insect insecten
verkleinwoord (insectje) (insectjes)

Zelfstandig naamwoord

insect o

  1. (dierkunde) geleedpotige met drie paar poten en geen, één of twee paar vleugels
Schrijfwijzen
  • Tussen 1954 en 1995 was de voorkeursspelling "insekt". De voorkeursspelling is echter niet de nieuwe spelling geworden omdat andere woorden, zoals dialect op -ect eindigden en daar is dit woord aan aangepast.
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Hyponiemen
Vertalingen

Meer informatie


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
insect insects

Zelfstandig naamwoord

insect

  1. (dierkunde) insect.
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen