patron

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pa·tron
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord patron patrons
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

patron m

  1. iemand die niet alleen de baas is over zijn ondergeschikten, maar ook hun beschermer
    • Wij verliezen door deze blessure een patron op het veld die de gave heeft de lijnen uit de zetten en jonge jongens onder de vleugels te nemen. Wij zullen hem op alle vlakken steunen in een voorspoedig herstel." [1] 
    • De baas heeft zich verplicht zijn arbeiders (gedurende die 10,5 uur durende werkdag die om 6 uur begint) 's morgens en 's middags van het nodige voedsel te voorzien. 's Morgens ontbrak heel vaak het brood. Het rekord was 8 op 10 werkdagen géén brood. En dan kwam de zoon van de patroon voor onze neus een taart opeten. Toen het de arbeiders te gortig werd, gaf de patron hun de schuld: elke dag zou er brood in de koffer van zijn wagen gelegen hebben, maar niemand was het komen halen! [2]
  2. (sport) leider van het wielerpeleton
    • "Nee, ik hoef niet de patron van het peloton te worden. Daar ben ik niet mee bezig. Ik vind het normaal om op een rivaal te wachten als die valt, zeker op een moment in de koers dat het kan", vertelde de Limburger van Team Sunweb na de vijftiende etappe. [3] 
  3. (beroep) bedrijfsleider van een café
    • Dan gaan we het dorp zien. Het ziet er precies uit zoals mijn vorige, zoals alle dorpen kortom langs de Marre; ik word voorgesteld aan verschillende dorpsgenoten, en al gauw zakken we met een man of zes af naar het café. De patron geeft een rondje van welkom, waarschijnlijk omdat hij mijn hand heeft mogen drukken, en Madema blijkt een geweldig getapte kerel. [4]
Synoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

77 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen