patronaat

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pa·tro·naat
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord patronaat patronaten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

patronaat o [1]

  1. baas of beschermheer zijn
  2. de stand (het geheel) van de werkgevers
    • De kerk, de universiteit, de gevestigde cultuurhuizen, het ‘patronaat’, de zuil ... geen enkel machtscenakel was veilig voor de sloophamer. De burger eiste het recht op persoonlijke keuzes, op individuele autonomie op. Met succes, getuige het lange haar, de korte rokken, de ongebonden seks, de leegloop van de kerken. [2] 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard MAANDAG 24 JULI 2017
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be