ziekenhuispatiënt

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zie·ken·huis·pa·ti·ent
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ziekenhuispatiënt ziekenhuispatiënten
verkleinwoord ziekenhuispatiëntje ziekenhuispatiëntjes

Zelfstandig naamwoord

ziekenhuispatiënt m

  1. een patiënt opgenomen in een ziekenhuis.
    • De ziekenhuispatiënt werd ontslagen en moest daarna revalideren. 

Gangbaarheid