overleggen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • over·leg·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overleggen
overlegde
overlegd
zwak -d volledig

Werkwoord

overléggen

  1. gezamenlijk bespreken
    • Er moest druk worden overlegd om de zaken niet te laten escaleren. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overleggen
legde over
overgelegd
zwak -d volledig

Werkwoord

óverleggen

  1. ter inzage geven van documenten aan bevoegde personen
    • Hij was de gegevens, die bij de aanvraag moeten worden overgelegd, vergeten mee te nemen. 
     Bijna 20 miljoen euro wilde ze lenen. Ze kon een (vervalste) kredietbrief van de UBS Bank in Zwitserland overleggen en toonde rekeningoverzichten waarop haar ‘vermogen’ stond, staat in de aanklacht te lezen schrijft persbureau AP.[2]
Verwante begrippen

Zelfstandig naamwoord

overleggen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord overleg

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. overleggen op website: Etymologiebank.nl
  2. Bronlink geraadpleegd op 14 september 2022 Weblink bron Marlies van Leeuwen “‘Miljonairsdochter’ blijkt meesteroplichter” (27-03-2019), Tubantia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be