overleggen/vervoeging
Uiterlijk
óverleggen
[bewerken]ter bestemder plaatse tonen
[bewerken]| vervoeging van de bedrijvende vorm van overleggen | |||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| onbepaalde wijs | kort | lang | |||||||||
| onvoltooid | tegenwoordig | overleggen | over te leggen | ||||||||
| toekomend | zullen overleggen over zullen leggen |
te zullen overleggen over te zullen leggen | |||||||||
| voltooid | tegenwoordig | hebben overgelegd | te hebben overgelegd | ||||||||
| toekomend | overgelegd zullen hebben | overgelegd te zullen hebben | |||||||||
| onvoltooid deelwoord | voltooid deelwoord | gebiedende wijs | aanvoegende wijs | ||||||||
| overleggend | overgelegd | ev. leg over | mv. verouderd legt over | legge over (bijzin) overlegge | |||||||
| aantonende wijs | enkelvoud | meervoud | |||||||||
| onvoltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| hoofdzin | ik | jij, je | u | gij, ge | hij, zij, het | wij, we | jullie | zij, ze | |||
| tegenwoordig (o.t.t.) | leg over | legt over | legt over | legt over | legt over | leggen over | leggen over | leggen over | |||
| verleden (o.v.t.) | legde over | legde over | legde over | legde over | legde over | legden over | legden over | legden over | |||
| toekomend (o.t.t.t.) | zal overleggen | zult/zal overleggen | zult/zal overleggen | zult overleggen | zal overleggen | zullen overleggen | zullen overleggen | zullen overleggen | |||
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou overleggen | zou overleggen | zou(dt) overleggen | zoudt overleggen | zou overleggen | zouden overleggen | zouden overleggen | zouden overleggen | |||
| bijzin | .. dat ik | .. dat jij, je | .. dat u | .. dat gij | .. dat hij, zij, het | .. dat wij | .. dat jullie | .. dat zij | |||
| tegenwoordig (o.t.t.) | overleg | overlegt | overlegt | overlegt | overlegt | overleggen | overleggen | overleggen | |||
| verleden (o.v.t.) | overlegde | overlegde | overlegde | overlegde | overlegde | overlegden | overlegden | overlegden | |||
| toekomend (o.t.t.t.) | zal overleggen over zal leggen |
zult/zal overleggen over zult/zal leggen | zult/zal overleggen over zult/zal leggen | zult overleggen over zult leggen | zal overleggen over zal leggen | zullen overleggen over zullen leggen | zullen overleggen over zullen leggen | zullen overleggen over zullen leggen | |||
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou overleggen over zou leggen |
zou overleggen over zou leggen | zou(dt) overleggen over zou(dt) leggen | zoudt overleggen over zoudt leggen | zou overleggen over zou leggen | zouden overleggen over zouden leggen | zouden overleggen over zouden leggen | zouden overleggen over zouden leggen | |||
| voltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (v.t.t.) | heb overgelegd | hebt overgelegd | hebt/heeft overgelegd | hebt overgelegd | heeft overgelegd | hebben overgelegd | hebben overgelegd | hebben overgelegd | |||
| verleden (v.v.t.) | had overgelegd | had overgelegd | had overgelegd | hadt overgelegd | had overgelegd | hadden overgelegd | hadden overgelegd | hadden overgelegd | |||
| toekomend (v.t.t.t.) | zal overgelegd hebben | zal/zult overgelegd hebben | zult/zal overgelegd hebben | zult overgelegd hebben | zal overgelegd hebben | zullen overgelegd hebben | zullen overgelegd hebben | zullen overgelegd hebben | |||
| voorwaardelijk (v.v.t.t.) | zou overgelegd hebben | zou overgelegd hebben | zou/zoudt overgelegd hebben | zoudt overgelegd hebben | zou overgelegd hebben | zouden overgelegd hebben | zouden overgelegd hebben | zouden overgelegd hebben | |||
| onpersoonlijke lijdende vorm overgelegd worden | |||||||||||
| onvoltooid | voltooid | ||||||||||
| tegenwoordig | er wordt overgelegd | er is overgelegd | |||||||||
| verleden | er werd overgelegd | er was overgelegd | |||||||||
| toekomend | er zal overgelegd worden | er zal overgelegd zijn | |||||||||
| voorwaardelijk | er zou overgelegd worden | er zou overgelegd zijn | |||||||||
| lijdende vorm overgelegd worden | |||||||||||
| onbepaalde wijs | kort | lang | |||||||||
| onvoltooid | tegenwoordig | overgelegd worden | overgelegd te worden | ||||||||
| toekomend | overgelegd zullen worden | overgelegd te zullen worden | |||||||||
| voltooid | tegenwoordig | overgelegd zijn | overgelegd te zijn | ||||||||
| toekomend | overgelegd zullen zijn | overgelegd te zullen zijn | |||||||||
| enkelvoud | meervoud | ||||||||||
| onvoltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (o.t.t.) | word overgelegd | wordt overgelegd | wordt overgelegd | wordt overgelegd | wordt overgelegd | worden overgelegd | worden overgelegd | worden overgelegd | |||
| verleden (o.v.t.) | werd overgelegd | werd overgelegd | werd overgelegd | werdt overgelegd | werd overgelegd | werden overgelegd | werden overgelegd | werden overgelegd | |||
| toekomend (o.t.t.t.) | zal overgelegd worden | zult overgelegd worden | zult overgelegd worden | zult overgelegd worden | zal overgelegd worden | zullen overgelegd worden | zullen overgelegd worden | zullen overgelegd worden | |||
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou overgelegd worden | zou overgelegd worden | zou/zoudt overgelegd worden | zoudt overgelegd worden | zou overgelegd worden | zouden overgelegd worden | zouden overgelegd worden | zouden overgelegd worden | |||
| voltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (v.t.t.) | ben overgelegd | bent overgelegd | bent/is overgelegd | zijt overgelegd | is overgelegd | zijn overgelegd | zijn overgelegd | zijn overgelegd | |||
| verleden (v.v.t.) | was overgelegd | was overgelegd | was overgelegd | waart overgelegd | was overgelegd | waren overgelegd | waren overgelegd | waren overgelegd | |||
| toekomend (v.t.t.t.) | zal overgelegd zijn | zult overgelegd zijn | zult overgelegd zijn | zult overgelegd zijn | zal overgelegd zijn | zullen overgelegd zijn | zullen overgelegd zijn | zullen overgelegd zijn | |||
| voorwaardelijk (v.v.t.t.) | zou overgelegd zijn | zou overgelegd zijn | zou/zoudt overgelegd zijn | zoudt overgelegd zijn | zou overgelegd zijn | zouden overgelegd zijn | zouden overgelegd zijn | zouden overgelegd zijn | |||
overléggen
[bewerken]gezamenlijk bespreken om tot een besluit te komen => de /hoofden/koppen/ bij elkaar steken, zich verstaan met
[bewerken]| vervoeging van de bedrijvende vorm van overleggen | |||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| onbepaalde wijs | kort | lang | |||||||
| onvoltooid | tegenwoordig | overleggen | te overleggen | ||||||
| toekomend | zullen overleggen | te zullen overleggen | |||||||
| voltooid | tegenwoordig | hebben overlegd | te hebben overlegd | ||||||
| toekomend | overlegd zullen hebben | overlegd te zullen hebben | |||||||
| onvoltooid deelwoord | voltooid deelwoord | gebiedende wijs | aanvoegende wijs | ||||||
| overleggend | overlegd | ev. overleg | mv. verouderd overlegt | overlegge | |||||
| aantonende wijs | enkelvoud | meervoud | |||||||
| onvoltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||
| ik | jij, je | u | gij, ge | hij, zij, het | wij, we | jullie | zij, ze | ||
| tegenwoordig (o.t.t.) | overleg | overlegt | overlegt | overlegt | overlegt | overleggen | overleggen | overleggen | |
| verleden (o.v.t.) | overlegde | overlegde | overlegde | overlegde | overlegde | overlegden | overlegden | overlegden | |
| toekomend (o.t.t.t.) | zal overleggen | zult/zal overleggen | zult/zal overleggen | zult overleggen | zal overleggen | zullen overleggen | zullen overleggen | zullen overleggen | |
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou overleggen | zou overleggen | zou(dt) overleggen | zoudt overleggen | zou overleggen | zouden overleggen | zouden overleggen | zouden overleggen | |
| voltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||
| tegenwoordig (v.t.t.) | heb overlegd | hebt overlegd | hebt/heeft overlegd | hebt overlegd | heeft overlegd | hebben overlegd | hebben overlegd | hebben overlegd | |
| verleden (v.v.t.) | had overlegd | had overlegd | had overlegd | hadt overlegd | had overlegd | hadden overlegd | hadden overlegd | hadden overlegd | |
| toekomend (v.t.t.t.) | zal overlegd hebben | zal/zult overlegd hebben | zult/zal overlegd hebben | zult overlegd hebben | zal overlegd hebben | zullen overlegd hebben | zullen overlegd hebben | zullen overlegd hebben | |
| voorwaardelijk (v.v.t.t.) | zou overlegd hebben | zou overlegd hebben | zou/zoudt overlegd hebben | zoudt overlegd hebben | zou overlegd hebben | zouden overlegd hebben | zouden overlegd hebben | zouden overlegd hebben | |
| onpersoonlijke lijdende vorm overlegd worden | |||||||||
| onvoltooid | voltooid | ||||||||
| tegenwoordig | er wordt overlegd | er is overlegd | |||||||
| verleden | er werd overlegd | er was overlegd | |||||||
| toekomend | er zal overlegd worden | er zal overlegd zijn | |||||||
| voorwaardelijk | er zou overlegd worden | er zou overlegd zijn | |||||||