bespreken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·spre·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bespreken
/bə.'spre.kə(n)/
besprak
/bə.sprɑk/
besproken
/bə.'spro.kə(n)/
klasse 4 volledig

Werkwoord

bespreken

  1. overgankelijk een gesprek over een bepaald onderwerp voeren
    • Zij bespraken de groeiende spanning rond Iran. 
  2. overgankelijk beoordelen, recenseren
  3. overgankelijk vooruit bestellen
    • Zij wilden voor de voorstelling twee plaatsen bespreken. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.