afgeven

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·ge·ven
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afgeven
gaf af
afgegeven
klasse 5 volledig

Werkwoord

afgeven

  1. overgankelijk achterlaten op de plek van bestemming
    • Gevonden voorwerpen kunnen worden afgegeven bij de conciërge. 
  2. inergatief bij aanraking een substantie afscheiden
    • Kijk uit hoor, die muur geeft af. 
    • De rode handdoek heeft in de was afgegeven, nu hebben we allemaal roze onderbroeken. 
  3. ~ op: iets of iemand niet goed vinden en dat ook zeggen
    • Zij geven altijd af op hun ouders. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.