afgeven

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·ge·ven
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afgeven
gaf af
afgegeven
klasse 5 volledig

Werkwoord

afgeven

  1. (overgankelijk) achterlaten op de plek van bestemming
    Gevonden voorwerpen kunnen worden afgegeven bij de conciërge.
  2. (inergatief) bij aanraking een substantie afscheiden
    Kijk uit hoor, die muur geeft af.
    De rode handdoek heeft in de was afgegeven, nu hebben we allemaal roze onderbroeken.
  3. ~ op: iets of iemand niet goed vinden en dat ook zeggen
    Zij geven altijd af op hun ouders.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen