Naar inhoud springen

afgeven

Uit WikiWoordenboek
  • af·ge·ven
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afgeven
gaf af
afgegeven
klasse 5 volledig

afgeven

  1. overgankelijk achterlaten op de plek van bestemming
    • Gevonden voorwerpen kunnen worden afgegeven bij de conciërge. 
     Dat vond ik leuk om te doen, maar mijn voornaamste taak draaide om een brievenbak op mijn bureau die vol lag met brieven die ik moest uittikken en bij Pamela afgeven.[1]
  2. inergatief bij aanraking een substantie afscheiden
    • Kijk uit hoor, die muur geeft af. 
    • De rode handdoek heeft in de was afgegeven, nu hebben we allemaal roze onderbroeken. 
  3. ~ op: iets of iemand niet goed vinden en dat ook zeggen
    • Zij geven altijd af op hun ouders. 
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[2]
  1. Jessie Burton (vert.Marja Borg)
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

afgeven

  1. afgeven

afgeven

  1. afgeven