Naar inhoud springen

leggen

Uit WikiWoordenboek
  • leg·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
leggen
legde
(lei)
gelegd
(geleid) *
zwak -d volledig
  • In de betekenis van ‘doen liggen’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • (causatief) van liggen.

leggen

  1. overgankelijk doen liggen
    • Hij legde het tijdschrift op de tafel. 
     Ik heb de neiging om haar hand te pakken en mijn hoofd op haar schouder te leggen.[2]
     ‘Denk erom hè… Geen haast,’ riep hij me na terwijl ik naar de grensmuur liep om mijn hand op het koude ijzer te leggen en mezelf moed in te praten: ‘veilig thuiskomen’.[3]
     Ik vraag Lot nog eens tien kaarten te trekken, zodat ik een Keltisch Kruis kan leggen om de situatie van alle kanten te bekijken.[2]
  • De vormen  lei ww  en  geleid ww  zijn verouderd en geen standaardtaal, het enkelvoud wordt in sommige streken wel in de spreektaal gebruikt [4][5].
  • In mei legt ieder vogeltje een ei.
In mei doet het weer aan de zomer denken.

deleggenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord leg
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[6]