leggen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • leg·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
leggen
legde
(lei)
gelegd
(geleid) *
zwak -d volledig
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

leggen

  1. overgankelijk doen liggen
    • Hij legde het tijdschrift op de tafel. 
Opmerkingen
  • De vormen  lei ww  en  geleid ww  zijn verouderd en geen standaardtaal, het enkelvoud wordt in sommige streken wel in de spreektaal gebruikt [1][2].
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Spreekwoorden
  • In mei legt ieder vogeltje een ei.
In mei doet het weer aan de zomer denken.
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

leggen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord leg

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen